Net zoals de bouwkunst in de middeleeuwen, maakt ook de kleding een ontwikkeling door van het grovere werk naar verfijning. Die verfijning in de kleding ontstond onder andere door de groeiende handel met het oosten. De Europeanen leerden van de mensen in het oosten nieuwe technieken en patronen. De weverijen gingen zijden weefsels maken met Chinese patronen. Ze maakten de stoffen lichter van kleur door ingeweven gouddraad te gebruiken.
De kleding van de vrouw in de gotiek kun je vergelijken met de torens en spitsbogen van de gotische kerken. De basis blijft hetzelfde als in de romaanse tijd: de kleding bestaat uit een aantal laagjes. Een verschil is dat de stof nu fijn geplooid is en veel rijker versierd. Het silhouet van de vrouw was va boven smal, maar liep van onderen wijd uit. De verschillende lagen waren:
- Chaisne: onderkleed
- Cotte: kleed
- Surcot: overkleed
Insnoeren en wegscheren
Een surcot had meestal geen mouwen en was erg wijd. Dit wijde overkleed werd houppelande genoemd. Onder de buste werd de taille strak ingesnoerd. De wijde rok werd dan opgenomen, zodat het leek alsof de vrouw een hoge bolle buik had. Zie afbeelding 6-25. In de latere middeleeuwen sloot de cotte steeds nauwer aan over de buste en ontstond het idee van het corset. Het haar werd niet meer los gedragen, maar stevig gevlochten met behulp van ijzerdraad. Het ijzerdraad zorgde ervoor dat vrouwen de vlechten konden oprollen. De vlechten werden namelijk met een hoed en sluiers bedekt. De gotische vrouw wilde graag de nadruk leggen op een zuiver en rond gezicht. Had je gezicht die vorm niet had of wilde je het ronde juist benadrukken, dan schoor je het voorste gedeelte van het hoofdhaar weg. Hierbij werden de wenkbrauwen ook weggeschoren.
Kleding van de man
De kleding van de man was tamelijk kort en werd steeds korter. Opvallend detail is dat naarmate de kleding korter, de versiering steeds rijker werd. De mensen wilden telkens mooiere en ingewikkeldere kleding. Om aan deze vraag te kunnen voldoen gingen kleermakers zich organiseren in kleermakersgilden. De kleding van de man was kleurig, kort en nauw. Ze droegen een gewatteerde wambuis en hun taille werd ingesnoerd. De wambuis, het jasje, werd gesloten met behulp van heel veel kleine knoopjes. Ritssluitingen kenden ze namelijk nog niet. Onder de wambuis droeg de man een heel strakke broek, die wel wat weg heeft van een maillot. De middeleeuwse naam voor deze broek is hosen. Ze hoefden eigenlijk geen sokken aan want het voetengedeelte zat vast aan de pijpen. Een ander opvallend detail aan deze hosen was dat ze heel druk versierd en gekleurd waren. Zo waren de benen soms verschillend van kleur en patroon. Het gedeelte van het kruis en de voorkant werd verstevigd, maar ook fraai versierd. Zo werden de geslachtsdelen beschermd, maar vielen ze ook juist extra op. Zie afbeelding 6-26.
Schoenen
In plaats van schoenen werden soms leren zooltjes onder de hosen genaaid. Wanneer de mannen wel schoenen droegen, hadden deze een lange, omhoog gebogen punt. Dergelijke schoenen werden tootschoen genoemd. De nauwe wambuis was niet een praktisch kledingstuk. Je kon je er maar slecht in bewegen, daarom werd deze later weer wat wijder en langer. Er werden heel veel plooien toegevoegd, die doen denken aan een serie orgelpijpen naast elkaar met geschulpte wanden. Over het geheel werd steeds een cape als mantel gedragen.
