In Amerika nam men eeuwenlang de manier van schilderen, beeldhouwen en bouwen van Europa over. Dat is niet zo vreemd, als je je bedenkt dat Amerika een land van immigranten is. Het waren de Europeanen die de grote oversteek maakten en hun cultuur en tradities met zich meebrachten. Maar wat is nu typisch Amerikaanse kunst en bestaat die eigenlijk wel?
In de jaren '40 en '50 zijn er een aantal kunstenaars uit New York die hun stempel drukken op de kunstwereld. Ze vormen geen groep of beweging en hun werk had weinig gemeenschappelijks in stijl. Sommige schilderden ongeremd en spontaan, andere heel beheerst en sober. Wel hadden ze een verleden gemeen: de Tweede Wereldoorlog. De schilder Barnett Newman schreef in 1945: “De oorlog heeft ons…beroofd van onze verborgen angsten, omdat angst alleen kan bestaan als de krachten van de tragedie onbekend zijn. Wij weten nu welke gruwelen we kunnen verwachten…” De kunstenaars hadden behoefte om uitdrukking te geven aan hun gevoelens en ze maakten heel persoonlijk kunstwerken. Kunstcritici noemden hen abstract expressionisten.
Het doek als arena
Voor de abstract expressionisten is de handeling van het schilderen zelf belangrijker dan datgene dat zij schilderen. Het gaat niet om het weergeven van een verhaal, de tekening, compositie en vorm, maar de gebeurtenis van het creëren zelf. Harold Rosenberg zegt hierover dat de kunstenaars “het doek zien als een arena die vroeg om een handelend optreden…het beeld zou het resultaat zijn van een ontmoeting” tussen het ene materiaal (het doek) en het andere materiaal (kwast met verf).
Jackson Pollock
De abstract expressionisten werden hierdoor ook wel 'action painters' genoemd. Een beroemde action painter is Jackson Pollock (1912-1956). Op afbeelding 10-42 zie je ‘Full fathom five thy father lies’ uit 1947. Pollock zegt over zijn werk: “Ik prik het losse doek liever vast tegen een harde muur of op de vloer. Op de vloer voel ik mij het meest op mijn gemak. Ik voel me dichter bij het schilderij, meer deel ervan omdat ik er op deze manier omheen kan lopen, er van vier kanten aan kan werken en letterlijk in het schilderij kan zijn. Dit is verwant aan de methode van de Indiaanse zandschilders in het Westen…Als ik in mijn schilderij ben, ben ik me niet bewust van wat ik doe.” Hij draaide in alle richtingen om of in het doek, knoeide, goot en smeet de kleuren uit blikken. De netten en strengen verf die hij uitgiet vormen eindeloze ritmes en herhalende patronen. Je oog wordt bij zijn werk alle kanten opgestuurd en er is geen vast punt, waar het kan rusten.
Mark Rothko
Mark Rothko (1903-1970) werkte op een heel andere manier dan Pollock. Zie afbeelding 10-43 ‘Blue Penumbra’ uit 1957. Hij werkte met grote kleurvelden, het zogenaamde ‘colourfield painting’. Rothko zegt over zijn werk: “Ik ben alleen geïnteresseerd in het uitdrukken van elementaire menselijke emoties – tragedie, extase, doem enzovoort – en het feit dat zoveel mensen hun zelfbeheersing verliezen en in tranen uitbarsten als ze met mijn doeken worden geconfronteerd, bewijst dat ik met die elementaire menselijke emoties in verbinding sta. De mensen die voor mijn werk huilen, hebben dezelfde religieuze ervaring die ik had toen ik ze schilderde. En als jij, zoals je zegt, ontroerd wordt door hun kleurrelaties, dan begrijp je niet waar het om gaat.” Een grote angst van Rothko was namelijk dat zijn werk gewaardeerd werd omdat het als ‘mooi’ wordt gezien. “Just a pretty picture”. Hij wil juist de basisemoties van het leven laten zien, zoals verlangen, angst, pijn en lust. Of nog beter: dat je die gevoelens ervaart als je naar zijn werk kijkt.
