Chromosomen
Je lichaam is opgebouwd uit cellen. Normaal gesproken bevat een cel in een menselijk lichaam 46 chromosomen. Als je de 46 chromosomen rangschikt, zie je dat er steeds twee bij elkaar horen. Dit is zo in spiercellen, haarcellen, wangslijmvliescellen, botcellen etc. Alleen eicellen en zaadcellen hebben slechts 23 chromosomen. Als bij een bevruchting eicel en zaadcel samensmelten dan zijn het er weer 46.
Van ieder paar heb je dus 1 chromosoom van je vader gekregen en 1 van je moeder. Je krijgt eigenschappen van je vader en van je moeder, en die gecombineerd ben jij.
Genotype
Van die 46 chromosomen zijn er twee je geslachtschromosomen. Die bepalen of je een jongen of een meisje bent. De andere 22 paren bepalen andere eigenschappen. Je haarkleur, de kleur van je ogen, je bloedgroep, of je kleurenblind bent. De erfelijke informatie die op de chromosomen ligt noem je genotype.
Fenotype
Maar je bepaalt ook zelf hoe je eruit ziet. Bijvoorbeeld of je een oorbel hebt, je haren verft of misschien wel een tatoeage hebt. Hoe jij eruit ziet noem je fenotype. Ook je genotype bepaalt welk fenotype je bezit: in welke omstandigheden je opgroeit of in welk klimaat. Al je uiterlijke kenmerken samen is dus jouw fenotype.

