Skelet en gewrichten
Omdat botten niet goed buigen heeft jouw skelet om te bewegen scharnierpunten nodig. Deze scharnierpunten zijn je gewrichten, maar je skelet beweegt niet uit zichzelf. Hiervoor zijn spieren nodig. Als je vlees eet, eet je voornamelijk spieren van dieren.
Typen spieren
Een groot deel van je lichaam bestaat uit spieren. Maar niet alle spieren zijn hetzelfde. Er zijn drie typen: Hartspieren, deze pompen bloed door het hele lichaam. Gladde spieren, deze zitten bijvoorbeeld in de wanden van je bloedvaten en je luchtwegen. Deze spieren kan je niet bewust bewegen of stilhouden. Het samentrekken en ontspannen van gladde spieren gebeurt vanzelf. Daarom heten gladde spieren ook wel: onwillekeurige spieren. En ten slotte skeletspieren die aan het skelet zijn gehecht. Je kan ze bewegen wanneer jij dat wilt.
Pezen
Je skeletspieren zitten met pezen aan de botten vast. De plaats waar een pees aan een bot vastzit heet aanhechtingsplaats. Een spier kan zich samentrekken, een pees niet. Achter aan je hiel kun je een harde pees voelen: de achillespees.
Impulsen
Spieren krijgen kleine stroompjes, impulsen, via zenuwcellen van het zenuwstelsel. Onder invloed van deze impulsen trekt een spier zich samen.
Antagonisten
De meeste spieren waarmee je beweegt werken in paren. De ene spier voor de beweging heen, de andere voor de beweging terug. Twee zulke samenwerkende spieren heten antagonisten.
Antagonisten zijn bijvoorbeeld de twee spieren in je bovenarm, waarmee je je onderarm op en neer kunt laten gaan. Als je je onderarm opheft, gebruikt je je biceps, je armbuigspier, De biceps wordt nu korter en dikker. Strek nu je arm: de antagonist is de triceps, je armstrekspier. De triceps wordt nu iets dikker.
Er zitten nog veel meer antagonisten in je lichaam. Als je je hoofd naar links draait, kun je je hoofd ook weer terugdraaien. Je voet kan naar links, maar ook weer terug, enzovoort.

