Dieren veranderen

Ze krijgen heel andere eigenschappen

atalantavlinder op brandnetel

atalantavlinder op brandnetel

Als mensen ouder worden, dan veranderen ze. Dit geldt ook voor dieren. Maar bij sommige dieren is dit zelfs een kenmerkende fase van hun levenscyclus. Deze dieren ondergaan een metamorfose of gedaanteverwisseling. De verwisseling van gedaante zien we vooral bij veel insecten en amfibieën.

Kevers

Kevers zijn insecten. Insecten zijn geleedpotige dieren met zes poten en een uitwendig skelet van chitine. Het lichaam bestaat vaak uit drie delen: een kop, een borststuk en een achterlijf. Kevers zijn meestal te herkennen aan de schilden die een groot gedeelte van de rugzijde bedekken. Deze dekschilden zijn eigenlijk het eerste vleugelpaar, ze beschermen de vliezige vleugels. Deze vleugels zijn vaak groter en liggen gevouwen onder de dekschilden. Tijdens het vliegen worden de dekschilden omhooggestoken. De meeste kevers kunnen vliegen.

Kevers hebben een levenscyclus met vier fasen: ei, larve, pop en volwassene. Ze ondergaan een volledige gedaanteverwisseling. Uit een ei komt een larve. Na een aantal vervellingen ontwikkelt de larve zich tot een pop. Uit de pop komt dan het volwassen insect of imago. Er zijn meer kevers op aarde dan enig ander dier. Op dit moment zijn er ruim 350.000 soorten kevers bekend. Andere woorden voor kevers zijn schildvleugeligen of torren. Voorbeelden van kevers zijn: de geelgerande watertor, vliegend hert, mestkever en het lieveheersbeestje.

Lieveheersbeestje

Het lieveheersbeestje

Bijna alle lieveheersbeestjes zijn fel rood, geel of oranje met zwart gekleurd. Deze felle kleuren dienen als bescherming en geven aan dat ze niet te eten zijn. Het aantal stippen op de dekschilden is kenmerkend voor de soort. In Nederland komt het zevenstippelige lieveheersbeestje het meeste voor. De meeste soorten zijn vleeseters. Zowel de volwassen dieren als de larven eten voornamelijk bladluizen. Soms wel 100 per dag. Lieveheersbeestjes worden dan ook in de glasteelt gebruikt bij de bestrijding van plagen.

Amfibieën

De naam amfibie is afkomstig van het Griekse woord ‘amphibios’, wat ‘dubbelleven’ betekent. Dit verwijst naar het feit dat amfibieën in twee omgevingen kunnen leven: op het land en in het water. Amfibieën zijn gewervelde dieren met een waterdoorlatende huid. Vrijwel alle soorten zoeken voor de voortplanting het water op. De eieren hebben dan ook geen harde schaal. Ook amfibieën doorlopen verschillende levensstadia. In het larve-stadium lijken ze op een visje. Langzaam groeit de larve uit naar een volwassen vorm; poten en longen groeien, de kieuwen en de staart verdwijnen. Er zijn uitzonderingen. Zo zijn sommige soorten salamanders eierenlevendbarend. Na deze veranderingen kunnen amfibieën het water verlaten en op het land in een vochtige omgeving leven.

Salamanders

Er zijn verschillende soorten salamanders, maar alle soorten hebben een langwerpig lichaam, relatief kleine pootjes en een staart die minstens een derde van de lichaamslengte beslaat. In Nederland komen vijf soorten salamanders voor. Het meest algemeen is de kleine watersalamander. De andere soorten zijn de alpenwatersalamander, kamsalamander, vinpootsalamander en de vuursalamander. De grootste verandering bij de watersalamander is het feit dat de kieuwen die aan de buitenkant van de kop zitten verdwijnen. De vuursalamander is levendbarend. Alle salamanders leven op vochtige plekken en ze zijn ook het meest actief bij vochtig weer.