Dieren moeten weten waar ze zijn en hoe ze hun weg kunnen vinden. Ze hebben zintuigen om informatie uit de omgeving te verzamelen, zodat ze zich kunnen oriënteren.
Door middel van experimenteel onderzoek weten we van een groot aantal diersoorten hoe dat oriënteren verloopt.
Zwaartekracht
Zeesterren kunnen de richting van de zwaartekracht waarnemen. Zo weten ze wat onder of boven is. Als ze op de rug liggen keren ze zich om. Slangsterren en zeeappels gedragen zich net zo als de zeester.
Verdwaalde kat
Katten staan erom bekend dat ze de weg naar huis altijd terug vinden. De Engelsman Romanes deed proeven over het oriëntatievermogen van katten. Als hij zijn proefdieren op een voor hen onbekende plaats los liet, verdwaalden ze.
Geur
Processierupsen trekken soms in een lange kolonne van boom tot boom. Elke rups volgt het geurspoor van z'n voorganger. Als de kolonne het eigen pad kruist, blijven de rupsen soms dagenlang in een kring lopen.
Bakens
Sterns broeden in broedkolonies dicht op elkaar. Elk paar weet waar het eigen nest ligt. Ze gebruiken omgevingskenmerken (bakens) om de nestplaats te herkennen. Ook de de bijenwolf, een graafwespensoort, maakt gebruik van bakens. Als de wesp voedsel haalt, verkent ze eerst de omgeving van het nest. Tijdens deze verkenningsvlucht neemt de wesp de omgevingskenmerken in haar geheugen op. Als je de omgeving verandert als ze weg is, raakt ze in de war als ze terugkomt. Ze kan de nestingang dan niet vinden.
Licht
Kokerwormen zijn zeedieren, die in zelfgebouwde kokertjes van zand leven. Ze richten de opening van het kokertje naar het licht. Vliegenmaden kruipen van het licht weg. Door de richting van het invallende licht te veranderen kun je het gedrag van sommige dieren van buitenaf besturen.
Kleuren
Bijen gebruiken de kleur van de bloemen om nectar en stuifmeel te vinden. Uit proeven blijkt dat bijen de kleur blauw herkennen. Ze zien het verschil tussen een blauw kaartje en een grijs kaartje. De kleur rood verwarren ze met grijstinten.
