Zwangerschap

Van bevruchting tot bevalling

Tijdens de zwangerschap ontwikkelt een bevruchte eicel (zygote) zich tot een embryo. In de negen maanden die volgen vinden er veranderingen plaats bij het embryo maar ook in het lichaam van de vrouw. De zwangerschap eindigt met het naar buiten komen van de placenta.

Tijdens de zwangerschap ontwikkelt een bevruchte eicel (zygote) zich tot een embryo. In de negen maanden die volgen groeit de embryo niet alleen uit tot een kind, maar verandert er ook veel in het lichaam van de vrouw. De zwangerschap eindigt met het naar buiten komen van de placenta.

Eerste stap

De bevruchting is slechts de eerste stap in de ontwikkeling van een nieuw mensje. Hierna gebeurt er nog een hoop voordat er een kind geboren wordt.

De baarmoederwand of uterus
Op het moment dat je zwanger kan worden is de baarmoederwand verdikt. De zygote beweegt zich vanuit de eileider naar de dikke baarmoederwand en nestelt zich daar in. De eerste weken van de zwangerschap zorgt het baarmoederslijmvlies voor de voeding van het embryo. Hierna ontstaat een uitgebreid netwerk van bloedvaten (de placenta) in het baarmoederslijmvlies. Dit netwerk voert voeding en zuurstof aan en neemt afvalstoffen weer mee terug. De bloedvaten van het embryo lopen vlak langs de bloedvaten van de moeder. Hierdoor kunnen stoffen worden uitgewisseld. Het embryo staat via de navelstreng in verbinding met de placenta.

Hormonen
Wanneer je zwanger bent, worden er in je lichaam zwangerschapshormonen uitgescheiden. Door deze hormonen blijft de menstruatie achterwege en wordt de slijmlaag juist dikker. Ook kun je zwangerschapshormonen aantonen in je urine. Hierop zijn zwangerschaptests gebaseerd. De hormonen uit de placenta zorgen ervoor dat het lichaam van de vrouw zich meer instelt op de zwangerschap. Kort voor de geboorte geeft de hypofyse hormonen af die de geboorte verder op gang moeten brengen. De hypofysehormonen bereiken de spieren van de uteruswand en van de buikwand.

De geboorte
In de negende maand zakt het hoofd van de baby meestal omlaag, in het bekken. De eerste verschijnselen van de geboorte zijn de weeën. De spieren van de baarmoederwand en de buikwand trekken met steeds kortere tussenpozen samen. Hierdoor wordt de onderkant van de baarmoeder wijder (ontsluiting). Het kind wordt de vagina in geperst. Daarbij breken de vruchtvliezen en loopt het vruchtwater weg. Steeds krachtiger spiersamentrekkingen veroorzaken de persweeën. De baby komt met het hoofd naar voren naar buiten. Het hoofdje is te groot om het bekken te passeren. Doordat het hoofdje nog zacht is, kan het wat van vorm veranderen. Als het hoofdje er eenmaal is komt de rest ook wel. Ongeveer een kwartier na de bevalling komt de placenta naar buiten. De placenta raakt eerst los van de baarmoederwand en komt daarna als nageboorte naar buiten.