De natuur houdt zichzelf in stand met voedselketens. Dit houdt in dat het ene dier door het andere opgegeten wordt. Dat lijkt goed geregeld, maar door tussenkomst van de mens kan dat spaak lopen.
Een plant staat altijd aan het begin van een voedselketen. Dit komt doordat groene planten door middel van fotosynthese voedsel maken. Maar de dieren die de planten eten zijn ook voedsel. Voor de torenvalk bijvoorbeeld. Deze staat aan het einde van de voedselketen. In het geval van de torenvalk ziet de voedselketen er als volgt uit: graankorrels >> muizen >> torenvalk.
Voedselpiramide
Er zijn enorm veel graankorrels in en om de boerderij. Daar kunnen veel muizen van leven. Maar van al die muizen kunnen maar een paar torenvalken leven. Als er te veel torenvalken zijn, komen er te weinig muizen en gaat een aantal valken dood van de honger. Zo ontstaat er een soort evenwicht. De vorm van veel planten, flink wat planteneters en een paar vleeseters lijkt op een driehoek of piramide. Je kunt een voedselketen dus in een voedselpiramide zetten.
Gifophoping
Een boer hoopt zijn gewassen te beschermen door gif te sproeien. Maar als een planteneter deze besproeide planten eet, krijgt hij dat gif in zijn buik. Als hij er nog meer van eet, zou hij hieraan kunnen doodgaan. De roofdieren die op hun beurt de ‘giftige’ planteneters opeten, krijgen dat gif ook in hun lijf. Als ze veel van die vergiftigde dieren opeten, kan dat ook hun dood betekenen.
Dit gebeurde in de jaren zestig en zeventig. Boeren gebruikten toen een sterk gif (DDT) dat niet afgebroken werd. Het hoopte zich op in de lichamen van roofdieren en gingen er massaal aan dood. Het gebeurde niet alleen bij roofvogels, maar ook bij kikkers. Om dit te voorkomen mag er nu alleen maar gif gebruikt worden dat (biologisch) afbreekbaar is.
