In Nederland worden allerlei gewassen geteeld zoals: suikerbieten, aardappelen, uien, graan, tarwe en maïs.
Het telen van maïs begint met ploegen van de akker. Zo ontstaat er een lekker losse ondergrond zonder andere planten en onkruiden.
Mesten
De akker wordt bemest met varkensmest of koeienmest. Dit noemen we gieren. Deze mest wordt met een speciale machine in de grond gebracht: geïnjecteerd heet dat. Voor de verbouw van maïs is erg veel mest nodig. Dat vinden de boeren prima, want zo raken ze de poep van hun dieren mooi kwijt.
Maïsplant
Begin mei worden de maïskorrels gezaaid. Hieruit groeien de kiemplantjes. Als de maïsplantjes klein zijn, wordt er één maal gespoten tegen onkruid. Dit is belangrijk omdat het onkruid veel sneller groeit dan de maïs. Zou dit niet worden gedaan, dan kan het de kleine maïsplantjes gaan overwoekeren. Tegen de tijd dat het onkruid weer terug komt zijn de maïsplanten groot en sterk genoeg.
Bloemen
Maïs is een graangewas. De bladeren lijken wel wat op die van gras en krijgen aren. Als de mais gaat bloeien, verschijnen er eerst piepkleine saaigekleurde bloemetjes. Dit zijn de vrouwelijke bloemen en groeien later uit tot de maiskolven. Het gewas heeft ook mannelijke bloemen. Deze zitten boven in de plant.
Oogst
De bestrijding van onkruid kan op twee manieren gebeuren:
-
- chemisch (door te spuiten met plantengif)
- mechanisch (door te schoffelen met een machine of een schoffel)
Biologische bestrijding
In andere landbouwgewassen worden ook wel dieren ingezet bij de bestrijding van plaagdieren. Bijvoorbeeld lieveheersbeestjes die bladluizen opeten. Dit heet biologisch bestrijding.
Voedermaïs
In Nederland wordt eigenlijk alleen maar voedermaïs verbouwd. Deze maïskolven smaken niet echt lekker voor mensen. De lekkere oranjegele maïs die je in de supermarkt kunt kopen is een ander ras; de suikermaïs. Deze soort heeft meer zon nodig om te rijpen. Daarom wordt hij in warmere landen, zoals Frankrijk, verbouwd.
