Van de onvoorstelbare hoeveelheid energie die de zon uitstraalt komt maar een fractie op speldenpunt aarde terecht.
En toch is de zonne-energie die de thermosfeer, de rand van onze atmosfeer, bereikt ongeveer tienduizend keer zoveel als de huidige wereldwijde energieconsumptie.
Van deze kortgolvige straling wordt bijna 1/3 direct gereflecteerd door wolken, water, sneeuw en ijs en andere relatief spiegelende plekken op het aardoppervlak. Het deel van de straling wat direct weerkaatst wordt noemen we het Albedo effect.
Van de resterende 70% wordt 25% in de troposfeer geabsorbeerd en verstrooid door waterdamp en wolken. Uiteindelijk wordt ongeveer 45% door het aardoppervlak opgenomen. Uiteindelijk genoeg om onze atmosfeer op te warmen.
Het aardoppervlak absorbeert de zonnestraling en kaatst deze straling terug in de vorm van infrarode (langgolvige) straling. Dit is de warmtebron van de aardse atmosfeer.
Een deel verdwijnt weliswaar als stralingsverlies de ruimte in, maar een groot gedeelte wordt geabsorbeerd door gassen in de atmosfeer. En naar alle kanten weer uitgestraald, dus ook richting het aardoppervlak. Dit is het broeikaseffect. De belangrijkste broeikasgassen zijn waterdamp (H2O) en koolstofdioxide (CO2).
Uiteindelijk verlaat alle straling weer de atmosfeer, waardoor de straling haar balans bereikt. De gemiddelde temperatuur op het aardoppervlak is zo’n 15 graden °C.

