Zeeklei is slib dat wordt afgezet door de zee. Daarom komt het vooral langs de kust voor. Zeeklei is vruchtbare grond, in tegenstelling tot het grovere zand dat ook door de zee wordt afgezet.
In Nederland vinden we zeeklei in Groningen en Friesland, Noord-Holland, Flevoland en op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Eilanden. De zeekleigebieden ontstonden vanaf 10.000 jaar geleden. Toen was de waterspiegel hoger dan nu. De Nederlandse kust bestond toen uit strandwallen, waarachter een ondiep gebied lag. In dit gebied zakte de zeeklei naar de bodem. Net zoals nu in de Waddenzee het geval is. De bodem werd langzamerhand steeds hoger en kwam uiteindelijk zelfs bij vloed niet meer onder water te staan. Deze gebieden werden kwelders. Omdat het land droog lag, gingen er mensen wonen.
Bewoning
Bewoning van de zeekleigebieden vond al op kleine schaal plaats vanaf de twaalfde eeuw voor Christus. Vanaf de zevende eeuw voor Christus werd de bewoning van de zeekleigebieden intensiever. In de kwelders werden in eerste instantie terpen opgeworden, vooral in Friesland; daarna, vanaf de tiende eeuw na Christus, werden de gebieden beschermd door zeedijken.
In Zeeland ontstonden kreken die diep in het gebied binnendrongen. Veel zeekleigebieden kwamen daardoor opnieuw onder water. Delen daarvan werden later weer ingepolderd. Zo kent men in Zeeland het oudland achter de oorspronkelijke strandwallen en het later ingepolderde nieuwland.
Eigenschappen
Zeeklei heeft meestal een blauwgrijze kleur, rivierklei is bruin. Zeeklei bevat minder organische stof dan rivierklei, maar daarentegen meer kalk. Dit is afkomstig van de schelpdieren die in de zee leven.
Zeeklei is zeer vruchtbaar, dus gebieden met zeeklei worden vaak gebruikt voor akkerbouw. De waterhuishouding is goed en de gebieden in Nederland zijn bovendien op een goede manier verkaveld. Soms treden problemen met zeeklei op, zoals inklinking en verzilting.
Als de zeeklei is vermengd met zand, is het geschikt voor de teelt van bloembollen. Dat wordt geestgrond genoemd.
