Een belangrijk deel van het examen Aardrijkskunde is het herkennen van de landschappen in Nederland. Je kunt de namen van de gebieden domweg uit je hoofd leren, maar dat is niet genoeg. Je moet een landschap ook aan bepaalde elementen kunnen herkennen.
In Nederland vind je acht verschillende soorten landschappen: zee- en rivierkleilandschap, zandlandschap, droogmakerij, hoog- en laagveenlandschap, duinlandschap en het krijt-losslandschap. Aan de hand van bepaalde criteria kun je bepalen in welk landschap je je bevindt.
Hoogte
Er zijn zes criteria die je kunt gebruiken om het soort landschap vast te stellen. De eerste is de ligging van het gebied ten opzichte van het NAP. Zo ligt een zeekleilandschap altijd tussen twee en min twee meter NAP. Als je dus meer dan twee meter boven NAP zit, kun je bijna niet in een zeekleilandschap zitten.
Verkavelingsvorm
Is er blokverkaveling, strokenverkaveling of rationele verkaveling? En is er bebouwing of niet? Deze informatie vertelt je een hoop over het type landschap. Een strokenverkaveling zonder bebouwing wijst vaak op een zandlandschap, terwijl een gebied met strokenverkaveling met bebouwing eerder een rivieren- of laagveenlandschap zal zijn.
Landbouw
Het derde element is het agrarisch gebruik. Elke bodem is anders opgebouwd en dus geschikt voor een andere soort landbouw. Rivierenlandschap is bijvoorbeeld erg vruchtbaar, dus zul je akkerbouw, fruitteelt en veeteelt tegenkomen. Op laagveen is dat minder, dus wordt daar alleen vee gehouden.
Afwatering
Het aantal en de ligging van de sloten verraadt een hoop over het landschap. Bepaalde gronden bevatten namelijk meer water dan de andere. Dit water moet afgevoerd worden. Soms zijn de sloten ontstaan door winning van een bepaalde grondstof. Dit is bijvoorbeeld het geval in het hoogveenlandschap. Vroeger moest het veen met de boot vervoerd worden. Dit kon alleen door erg veel sloten te graven.
Nederzettingspatroon en naamgeving
De aanwezigheid van dorpen en namen van dorpen zijn de twee laatste elementen. Bepaalde namen zijn typisch voor een bepaald landschap. Plaatsnamen met es, enk, eng, broek of brink in de naam liggen bijvoorbeeld vaak in een zandlandschap. Een dorp dat bestaat uit een lang lint van huizen ligt bijvoorbeeld vaak in een laagveenlandschap.
