Europese verhalen

In het Nederlands verteld

De meermin
Een man loopt 's avonds langs het strand en ziet een groep meerminnen en meermannen dansen. Ze hebben hun vellen uitgedaan...

Een verhaal van de Shetland-eilanden (Europa)

Een man uit Unst wandelde eens onder het maanlicht langs de zanderige kust van een baai en zag daar een hele groep meermannen en meerminnen vrolijk dansen. Om hen heen lag de grond bezaaid met vellen van zeehonden. Zodra het zeevolk de man opmerkte, trokken ze snel hun zeehondenhuiden weer aan en verdwenen in zee. Maar één dierenhuid lag vlakbij de wandelaar. Hij raapte die snel op, liep ermee weg en verstopte hem ergens. Toen hij terugging naar de baai, zag hij daar het mooiste meisje dat mensen ooit hadden gezien. Ze zat zachtjes te huilen omdat haar zeehondenvel was gestolen. Ze kon nu niet meer terug naar haar soortgenoten op de zeebodem, nu moest ze wel een bewoner van het droge land worden! Ze bad en smeekte tot de man of hij haar huid terug wilde geven. Tevergeefs, de man was verliefd geworden op het mooie zeemeisje, en hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om haar te laten gaan. Hij zei dat hij met haar wilde trouwen en dat ze zijn vrouw zou worden. Het zeemeisje besefte dat ze geen keuze had. En als ze dan toch op het land moest blijven dan maar met deze man die er goed en vriendelijk uitzag. Ze nam zijn aanbod aan. Er kwam een bruiloft en ze leefden een aantal jaren best gelukkig samen. De man had zijn mooie zeevrouw innig lief; de vrouw was hem dankbaar voor zijn goedheid en deed alles om zijn leven aangenaam te maken. Maar diep in haar hart bleef ze verlangen naar haar waterige vaderland. Ze voelde zich niet helemaal thuis onder de mensen.

Ze kregen meerdere mooie, lieve en gezonde kinderen. Alleen een zwemvliesachtige huidplooi tussen hun vingers verraadde dat ze afstamden van het zeevolk. De moeder hield zielsveel van haar kinderen maar zelfs haar kinderen konden het verdriet over haar land en volk niet wegnemen. Zo vaak als ze kon liep ze stiekem naar het strand, naar de plek waar haar echtgenoot haar gevonden had. Voorbijgangers hoorden haar dan wel eens een gesprek houden in een onverstaanbare taal met een grote zeehond.

Zo gingen er jaren voorbij. Tot op een dag de kinderen verstoppertje speelden. Ze kropen in allerlei hoekjes en gaatjes. Eén van hen ontdekte in de korenschuur een verborgen hokje, en vond daar een oude, in elkaar geschrompelde dierenhuid. Blij met zijn vondst liep het kind ermee naar zijn moeder. Nauwelijks zag ze wat hij in zijn handen had, of zij herkende háár eigen zeehondenvel. Haar man had haar nooit willen vertellen waar hij het had verstopt. Haar ogen begonnen te glinsteren en ze gilde het bijna uit van blijdschap. Nu kon ze weer terug naar haar eigen land op de bodem van de zee! Ze keek naar haar kinderen en twijfelde. Zou ze de moed hebben om hen te verlaten? Ze hield zoveel van ze! Maar het verlangen naar haar land en haar volk was sterker bij haar dan de moederliefde. Met pijn in haar hart, omhelsde ze haastig haar kinderen, en liep toen zo snel mogelijk naar de kust.

De man kwam net thuis en de kinderen vertelden hem wat er gebeurd was, en dat hun moeder was weggelopen met het zeehondenvel in haar handen. Zo vlug als hij kon rende hij haar achterna. Hij was bijna bij haar, toen zij op het punt stond om, in de gestalte van een zeehond, in de diepe zee te verdwijnen. Naast haar zwom een andere zeehond die haar met grote vreugde meevoerde door de zee. Maar voordat ze in de diepte verdween, keek ze om en zag ze de arme man die jarenlang haar echtgenoot was geweest en altijd goed voor haar was geweest. Ze kreeg medelijden met hem. “Vaarwel!” riep ze naar hem. “Zolang ik op het land leefde, ben je goed voor me geweest en ik heb werkelijk van je gehouden. Maar ik was er tegen mijn zin, en nu keer ik terug naar het land en het volk dat ik boven alles liefheb. Vaarwel!” En meteen verdween ze.

 

De schat in de Dangsberg

Graven naar een schat doe je zonder een woord te zeggen. Als je toch iets zegt, gebeuren er gekke dingen.

Een verhaal uit Denemarken

Ongeveer in het midden van Denemarken ligt een heuvel die Dangsberg Dons wordt genoemd. Over deze heuvel wordt verteld dat hij altijd bedekt is met een blauwe mist, en dat onder de heuvel een grote koperen ketel ligt vol met geld. Op een nacht gingen twee mannen naar de Dangsberg om deze schat op te graven. Ze waren al zo ver met graven dat ze het hengsel van de ketel konden aanraken. Maar opeens gebeurden er allemaal vreemde dingen waardoor het graven moeilijk werd. Eerst reed er een koets, getrokken door vier zwarte paarden vlak langs hen heen. Toen kwam er een haan langs die een hooibaal met zich meesleepte en later kwam er een grote zwarte hond blaffend op hen af met een tong van vuur. De mannen deden echter alsof ze er niets van merkten. Ze zeiden geen woord- want schatgraven moet in het diepste stilzwijgen gebeuren- en gingen maar door met graven, zonder een ogenblik te rusten.
Uiteindelijk kwam er iemand aangelopen en riep: “Kijk eens, Dangstroep staat in brand!” Ze keken in de richting van het dorpje en zagen het inderdaad in lichterlaaie staan. Toen kon de ene man zich niet meer inhouden. Hij slaakte een hevige kreet van de schrik en terwijl hij dat deed zonk de schat dieper en dieper de aarde in. Sinds die tijd hebben nog veel mensen geprobeerd om de schat op te graven, maar de Trolden, zo heten de kabouters in Denemarken, zijn er door hun slimme listen en bedrog altijd in geslaagd om de gravers het stilzwijgen te doen verbreken. De schat ligt er daarom nu nog steeds, diep onder de Dangsberg.