Australische verhalen

In het Nederlands verteld

De Jacht die nooit ophoudt
Twee kinderen lopen weg bij hun gemene ouders

 

Een verhaal van de Cook Eilanden

 

 

Er was eens een man die twee kinderen had, een jongen en een meisje, een tweeling. De kinderen waren dol op elkaar. Wat het meisje wilde, wilde de jongen ook. Jammer genoeg was hun moeder een ontzettende feeks, die de kinderen nooit met rust liet. Op een avond ging de moeder vissen op de rotsen, ze had een grote fakkel meegenomen. Tegen middernacht, toen de vloed opkwam, moest ze stoppen. Ze had een mandje vol met lekkere kleine visjes. Toen ze thuiskwam maakte ze haar man wakker, want zo ging dat, en ze maakte de vis klaar. Ze deelde alles in vier porties en de vader en moeder begonnen hun portie meteen op te eten. De vader wilde de kinderen roepen om mee te eten, maar dat wilde de moeder niet.

 

Het meisje en de jongen hadden alles gehoord, maar ze lieten niets merken. Ze wachtten tot hun moeder hen zou roepen om mee te smullen. Dat gebeurde echter niet, en de kinderen huilden zachtjes. Zodra hun ouders diep in slaap waren, stelde het meisje aan haar broertje voor om te vluchten. Eerst aarzelde hij, maar toen gaf hij toe. Ze deden de schuifdeur open en begaven zich op weg. Ze kwamen op een hoge rots en daar rustten ze uit. Ze moesten weer huilen, maar ze waren vastbesloten om weg te gaan. Uiteindelijk sprongen ze de lucht in. Het meisje hield zich vast aan de riem van haar broertje.

 

Zodra het ochtend werd ging de moeder de kinderen roepen, maar ze waren er niet. Hun bedjes waren nog nat van de tranen. Ze riep haar man en samen gingen ze op zoek. De man en de vrouw liepen door tot ze op de hoge rots kwamen, waar de kinderen met hun tranen een klein plasje hadden achtergelaten. Daarna was er geen spoor meer.

 

Vol verdriet keken de ouders omhoog, ze hadden veel spijt. De zon was nog niet op, en daar in de lucht zagen ze hun kinderen als sterren schitteren. Ze riepen naar de kinderen om terug te komen, maar hun moeite was vergeefs. Zonder de kinderen wilden de ouders ook niet meer op aarde blijven. Daarom sprongen zij ook de lucht in, om de tweeling te achtervolgen. De kinderen zagen het en liepen snel weg langs de blauwe hemel. Die achtervolging gaat nog steeds door, want de ouders hebben hun kinderen nog steeds niet ingehaald. Alle vier zijn ze schitterende sterren. De ouders zijn natuurlijk groter dan de kinderen, en ze stralen helderder. Maar de kinderen als sterren net zo onafscheidelijk als toen ze nog op aarde woonden.