Het weer meten

Temperatuur, wind en neerslag

thermometer

Het weer is op verschillende manieren te meten. Je kunt dit doen bij de temperatuur, de wind en de neerslag.

Temperatuur kun je meten met een thermometer. 'Thermo' betekent: warmte. Thermometer betekent dus: warmtemeter.

Werking van een thermometer

Zo'n thermometer werkt als volgt: in een glazen buisje zit vloeistof. Deze vloeistof heeft de eigenschap uit te zetten als het warmer wordt. De vloeistof zit in een dun glazen buisje. Naast het buisje staan cijfers. Dat is de schaalverdeling die de temperatuur in graden (Celsius) aangeeft. Als de vloeistof in het buisje warm wordt zet het uit. Het kolommetje vloeistof wordt langer en geeft een hogere temperatuur aan.

Celcius en Fahrenheit
Er zijn 2 manieren om de temperatuur weer te geven: in graden Celsius en in graden Fahrenheit. Wij gebruiken de graden in Celsius.

Wind meten

Wind kun je op 2 manieren meten:

1. De windrichting: De windrichting is de kant waar de wind vandaan komt. Dus niet waar de wind heengaat. Voor het bepalen van de windrichting kun je een kompas gebruiken.
2. De windsnelheid: De windsnelheid wordt aangegeven in cijfers op een schaal. De schaal van Beaufort. De cijfers gaan van 0 tot 12. Windkracht 12 is een orkaan, windkracht 0 is windstil.

Neerslag meten

Ook neerslag kun je meten. Je hebt daarvoor een beker of een fles nodig met daarop centimeters. Zo kun je simpel zien hoeveel millimeter of centimeter het heeft geregend op een dag.