In Friesland voeren de mensen al eeuwenlang een strijd tegen het water. Het is laaggelegen gebied en er zijn vele grote en kleine meren. Het waterpeil wordt altijd goed in de gaten gehouden. In de afgelopen eeuwen zijn er namelijk al veel huizen verwoest en mensen verdronken. Men doet er alles aan om het water te beheersen, onder andere door dijken aan te leggen.
Dijken
Dijken zijn er voor om hoog water tegen te houden. Maar door de dijken ontstaan er polders. En die moeten bemalen worden, of wel het teveel aan water moet er uit worden gehaald. Dat water wordt dan opgeslagen in het boezemdeel van de polder, daar waar het peil van het oppervlaktewater varieert. Daarna kan het water via een stelsel van kanalen afgevoerd worden naar de zee of het IJsselmeer door sluizen open te zetten of door het gemaal aan te zetten.
Woudagemaal
Friesland kent al bemalen polders sinds de zestiende eeuw, maar vooral in de achttiende eeuw neemt het aantal flink toe: in 1811 staan er 2445 molens om Friesland droog te malen.
En in 1920 komt daar het grootste stoomgemaal in Lemmer bij. Deze kan 4000 kubieke meter water afvoeren naar het IJsselmeer. Gelukkig is dit niet meer nodig en wordt het Woudagemaal tegenwoordig alleen nog ingezet wanneer het andere elektrische gemaal (J.L. Hooglandgemaal) de afwatering van het Friese land niet aan kan. Dat gebeurt meestal een aantal keren per jaar in de winter.
