Als je op een heldere avond omhoog kijkt, dan zie je ontzettend veel sterren. Ze geven allemaal licht, maar waar komen ze vandaan en wat gebeurt er als ze eenmaal opgebrand zijn?
Het ontstaan van sterren
Een ster is een brandende gasbol die licht geeft. Hiernaast zie je een foto (de adelaarnevel) van een wolk met waterstofgas. Vanuit deze wolken ontstaan er nieuwe sterren door een combinatie van zwaartekracht en temperatuur. Als er uiteindelijk een evenwicht ontstaat in dit proces straalt deze gasbol licht uit. Een nieuwe ster is ‘geboren’.
Waaraan herken je een ster?
Een ding die alle sterren gemeen met elkaar hebben, is dat ze heet zijn. En omdat sterren zo erg heet zijn, geven ze licht. Er zijn sterren die aan de buitenkant wel 50.000 °C zijn. Andere sterren hebben een temperatuur van ‘maar’ 2.000 °C. Aan de kleur van een ster kun je zien hoe warm een ster is. Koele sterren zijn roodachtig. Sterren van 20.000 °C zijn wit en hele hete sterren zien er blauwachtig uit.
3 manieren voor sterren om te doven
Sterren ontstaan en ze branden ook een keer op. Dit kan miljarden jaren duren. Als een ster eenmaal opgebrand is, stort hij onder invloed van zijn eigen zwaartekracht in elkaar. Dit noem je een implosie. Dit resulteert in een schokgolf (explosie). Bij hele grote sterren heet zo’n explosie ook wel een supernova. Dat is te zien op de afbeelding hiernaast. Wat er na de explosie gebeurt, hangt af van hoe zwaar de ster was. Lichte sterren veranderen in een gloeiende bol ter grootte van de aarde. Deze zogenaamde ‘witte dwerg’ zal vervolgens heel langzaam afkoelen. Zwaardere sterren storten ineen tot een zeer snel roterende 10 kilometer grote klomp neutronen. Dat heet ook wel een neutronenster. De zwaarste sterren storten verder ineen tot een zwart gat. Dat is zo compact, dat zelfs licht door de zwaartekracht wordt aangetrokken.
