Op een warme zomeravond in 1521 branden op de Vrijdagmarkt in Gent vele ketterse boeken. Keizer Karel V, de machtigste man op aarde, kijkt tevreden toe. Heeft hij daar echt reden voor?
Het is 1566. De Beeldenstorm raast door Nederland. Een pastoor vlakbij Delft is overgegaan tot het protestantisme en gooit eigenhandig alle beelden uit zijn kerk.
De Republiek gaat concurreren op de wereldzeeën, met de maritieme grootmachten Spanje en Portugal. De eerste reizigers die op zoek gaan naar het verre Indië schrijven spannende verslagen van hun (soms gruwelijke) tochten.
Rond 1600 lijkt het alsof iedereen in de Republiek liefdesgedichten schrijft, een inkijkje in de jongerencultuur van die tijd. Zelden echter wordt de amoreuze poëzie zo persoonlijk als wanneer PC Hooft afscheid neemt van zijn geliefde Brechje Spiegel.
We zien het professionele theater ontstaan bij mensen als Bredero en PC Hooft. Levensechte mensen – een oude gierigaard, een oplichter en wat later ook een gekwelde leidersfiguur – verschijnen op het toneel.
Het nieuwe stadhuis van Amsterdam is af; het is 1655, de vrede met Spanje is getekend en de Hollanders willen weten dat ze de machtigste natie op aarde zijn. Vondel schrijft ter gelegenheid van de opening van het stadhuis een gedicht.