Toen er nog geen mobiele telefoons en internet waren, communiceerden mensen heel anders met elkaar: via rooksignalen en lichten bijvoorbeeld. Totdat in 1837 de morsecode werd uitgevonden.
Dit is een link naar de pagina waar deze clip op staat. Deze kan je kopiëren en in een presentatie, digitale les of website plaatsen.
Dit is een stukje code waarmee je de speler met clip in een webpagina kan opnemen. Copieer de code en plak het exact zo in de HTML-code van de pagina.
Deze link is om de clip in een pop-up te tonen, een kleiner venster boven je pagina. Handig als je de clip niet in de pagina wilt zetten met EMBED.
De oude Grieken hadden al ‘heldere’ ideeën voor contact op lange afstand. Op hoge heuvels stonden mensen met fakkels die met lichtsignalen belangrijke boodschappen aan elkaar doorgaven. De Romeinen keken dat kunstje af en gebruikten ook fakkels als seinmiddel op de wachttorens langs de grenzen van het Romeinse Rijk. Maar ze moesten wel oppassen dat ze niet in slaap vielen. De Indianen lieten hun boodschappen in rook opgaan. Met smeulend gras en dekens maakten ze rooksignalen. Ze konden de rook zelfs een kleurtje geven door bepaalde mineralen op het vuur te strooien. Maar bij een flinke bui werkte het niet. In de negentiende eeuw bedachten de Fransen een apparaatje om letters te seinen. De berichten waren dan met een verrekijker te lezen. Minpuntje: de vijand kon ze ook lezen. Pas in 1837 vond de uitvinder Samuel Morse een manier uit om via een kabel elektrische signalen te versturen. Die signalen bestonden uit korte en lange stroomstootjes. De ontvanger zette de stroomstootjes over op een graveernaald die ze op een vel papier afdrukte. Elke letter en cijfer had zijn eigen combinatie van lange en korte signalen: de morsecode. Later werden de signalen vervangen door een pieptoon, zodat het bericht meteen uitgeschreven kon worden. Al snel was de hele wereld via telegraafkabels met elkaar verbonden. Kabelspaghetti. Daarom werden telegraafkabels onder de grond aangelegd, zelfs onder de oceaanbodem.