Dit is een link naar de pagina waar deze clip op staat. Deze kan je kopiëren en in een presentatie, digitale les of website plaatsen.
Dit is een stukje code waarmee je de speler met clip in een webpagina kan opnemen. Copieer de code en plak het exact zo in de HTML-code van de pagina.
Deze link is om de clip in een pop-up te tonen, een kleiner venster boven je pagina. Handig als je de clip niet in de pagina wilt zetten met EMBED.
Het Przewalskipaard is een van de voorouders van ons huispaard. Het is het laatste wilde paard. Prezwalskipaarden leefden vroeger in de sneeuw. Daardoor hebben ze een goed uithoudingsvermogen. Wil je meer weten? Kijk naar dit clipje!
Het Przewalskipaard is een van de voorouders van ons huispaard. Het is het laatste wilde paard. Meer dan 100 jaar geleden werd het dier ontdekt in Centraal-Azie. Er waren nog maar 16 dieren over maar doordat ze goed verzorgd werden in dierentuinen en natuurparken zijn ze gelukkig niet uitgestorven.In het gebied waar het przewalskipaard oorspronkelijk leefde, ligt vaak sneeuw. Daarnaast is er ook een droge periode van drie tot vier maanden waarin nauwelijks water te vinden is. Door deze barre omstandigheden zijn de przewalskipaarden gehard en hebben ze een groot uithoudingsvermogen. Het Przewalskipaard heeft een gedrongen lijf met korte benen. De kop is relatief groot en heeft altijd een witte snuit. De oren zijn klein en spits. De vacht is in de zomer roodbruin en in de winter vaalbruin. Speciaal aan het przewalskipaard zijn de rechtopstaande manen, een zwarte streep over de rug, zwarte onderbenen en een dunne staart die bijna tot op de grond hangt. In de herfst begint de rui; dat betekent dat de dunne zomervacht wordt vervangen door lange haren. In de winter krijgt het przewalskipaard een dikke baard op wang en keel. Aan de bovenkant van de staart groeit een waaier van haren. Als het koud is gaat hij met zijn kont naar de wind gekeerd staan. Zo schermt hij zich af tegen sneeuwstormen en kou. Przewalskipaarden leven in kleine kudden. Een kudde bestaat uit een mannetje, de hengst, en een groepje vrouwtjes: de merries, en hun veulens. De hengst is de baas. De groep merries wordt zijn harem genoemd. De hengst voert zijn harem aan en verdedigt ze fel. Alle haremleden moeten hem gehoorzamen. Dit maakt hij ze duidelijk door een beet in de manen.